• “Ik wil in Tokio de beste Githa ooit zijn”


    11 maart 2020
    #Nieuws

Githa Michiels over de hobbelige weg naar de top, altijd maar beter worden en scoren op de Olympische Spelen.

Githa Michiels is 36 en de nummer zeven op de UCI-ranking in het mountainbiken. De weg die de winnares van de bronzen medaille op het EK in Glasgow naar de top leidde lijkt veel op het parcours dat ze in haar sporttak continu voor de wielen krijgt. Hoge pieken, diepe dalen, behoorlijk wat hobbels en af en toe een ‘rock garden’ die bij een eerste aanblik quasi onoverkomelijk lijkt. Obstakels waar iemand met minder haar op de tanden voor zou terugschrikken, maar al bij al hindernissen die Githa Michiels in de loop van de voorbije twintig jaar niet klein kregen. Terugkijken op wat geweest is doet de Kempense maar schoorvoetend. Want de blik staat vastgepind op Tokio, op de dag dat in het mountainbiken bij de vrouwen voor olympische medailles wordt gestreden. “Daar wil ik de beste Githa ooit zijn. Want het kan nóg beter, daar ben ik van overtuigd.”

Wie Githa Michiels in eigen land wil aantreffen moet geluk hebben. Want dit jaar staat in het teken van het scoren van UCI-punten, dingen die je nodig hebt om een ticket voor de Olympische Spelen op zak te kunnen steken. Dus dweilt de leading lady van de Belgische mountainbikesport onverdroten de wereld af, in de hoop zo snel mogelijk zekerheid te krijgen. En afgaande op haar positie in de UCI-ranking lijkt dat voorlopig méér dan aardig te lukken.

Zesde staan op de UCI-ranking, wat doet dat met een mens?
Githa Michiels
: “Het is mooi als je je naam tussen al die toppers ziet staan. De beloning van een hele tijd hard werken, zeg maar. Het zegt iets over mijn regelmaat, en ook over het feit dat ik bezig ben met zoveel mogelijk punten te pakken met het oog op de kwalificatie voor de Olympische Spelen van Tokio. (Lacht) Ik heb al goed mijn best gedaan.”

Beschouw jij jezelf nu als de op vijf na beste vrouwelijke mountainbiker ter wereld?
“Nee. Die lijst zegt natuurlijk niet alles. Ik maak deel uit van het kransje toppers, dat wel. Maar ik weet tegelijk goed genoeg dat ik telkens moet rekenen op een goeie dag om een uitslag te kunnen rijden die echt super is. Of die plek op de ranking mijn ego streelt? Bwah, dat heb ik niet echt nodig. Ik ben iemand die met de beide voeten stevig op de grond staat, een atleet die het van hard werken moet hebben. Je zal me nooit horen zeggen dat ik de beste ben. Deels omdat dat niet in mijn aard zit, deels omdat ik nog altijd een beetje onzeker ben. Soms wens ik dat ik een beetje meer zelfvertrouwen had.”

Zou het je vooruit helpen als je jezelf meer druk zou opleggen?
“Helemaal niet. Ik ben liever underdog dan topfavoriet.”

Kan je tegelijk zevende staan op de UCI-ranking en underdog blijven?
“(Glimlacht) Dat lukt steeds minder. Als ik nu ergens aan de start verschijn wordt meteen van mij verwacht dat ik ga meespelen voor winst. Of op zijn minst toch voor een pak punten. Die druk voel ik wel. Al zou dat wezenlijk niks mogen veranderen. Ik ben iemand die altijd en overal haar best doet, los van de verwachtingen die bepaalde mensen koesteren. Ik heb zo’n beetje een dubbel gevoel bij sportieve stress. Aan de ene kant heb ik dat nodig. Sta ik ergens té ontspannen aan de start, dan ben ik onderweg te laks. Al is het telkens weer zaak de druk niet de bovenhand te laten halen. Dat lukt het best als iedereen me in de aanloop naar een wedstrijd in mijn eigen wereldje laat. Dan komt het meestal wel goed. De motivatie om er iets van te maken haal ik wel uit mezelf. Daar heb ik niemand anders voor nodig. Al blijft het wel speciaal, de erkenning die je van de collega’s krijgt. Sinds Glasgow weten de toppers pas echt wie ik ben. Er is respect voor mij in het peloton, terwijl dat vroeger veel minder was.”

 

“Vroeger was een Belgische titel voor mij zowat het allerhoogste. Nu droom ik van een podium in Wereldbeker, EK, WK of Olympische Spelen.”

 

Een mega-klik in je hoofd, dat EK?
“Absoluut. Vroeger was een Belgische titel voor mij zowat het allerhoogste. Nu droom ik van een podium in een Wereldbekerwedstrijd, of op een EK, WK of Olympische Spelen. De ‘mindset’ is compleet veranderd. Het was fantastisch dat het uitgerekend in Glasgow lukte. Ik deed eerder al mee aan andere EK’s, maar de sfeer die daar hing… Al die verschillende sportdisciplines die tegelijk voor de Europese titels streden, het leek wel een miniversie van de Olympische Spelen. En het maakte nadien ook verrassend veel los. Tot hiertoe is dat het mooiste moment in mijn carrière, ongetwijfeld. Al blijf ik hard werken om nóg meer te bereiken.”

De olympische mountainbikeproef staat op 28 juli 2020 geprogrammeerd. Je kan de stress voor wat de belangrijkste afspraak in je carrière wordt ook deels wegnemen door vooraf al iets moois te laten zien.
“Daar heb je gelijk in. Dat ben ik dan ook van plan. Net daarom zou ik graag goed zijn op het wereldkampioenschap in Albstadt. Niet dat ik daar op dezelfde manier naar zou pieken als naar Tokio, maar toch… Als ik daar al goed uit de verf kan komen zou dat voor veel gemoedsrust zorgen.”

Wat heb je geleerd uit je eerste deelname aan de Spelen?
“Ik ben blij dat ik het al een keertje eerder meegemaakt hebt. Alles was nieuw toen, en ik was compleet overrompeld door het gigantisme van dat evenement. Dat zal nu wat minder zijn, weet ik al. Ik ken het evenement nu, ben gegroeid als atleet. Niet dat ik toen echt veel fouten heb gemaakt, maar de ervaringen van toen zullen me straks goed van pas komen. Ik was echt bang om af te gaan, toen. Die schrik is nu weg. Ik heb mijn plaats bij de beste rensters in het peloton. Die wetenschap is me veel waard.”

Je grootste succes tot dusver was die bronzen medaille op het Europees kampioenschap in Glasgow, vorig jaar. Probeer je in de aanloop naar Tokio dezelfde marstabel te volgen wat conditie-opbouw betreft?
“Nee. Want de aanloop naar die dag verliep absoluut niet gladjes. Vlak voor ik vertrok forceerde ik mijn rug. Compleet geblokkeerd. Het parcours stond me wel aan, het weer ook. Maar op de dag zelf had ik absoluut niet het goeie gevoel. Die bronzen medaille kwam er op karakter, en omdat de omstandigheden in de wedstrijd in mijn voordeel waren. (Lacht) Ach, ik maak altijd iets mee vlak voor een belangrijk evenement. Dus die rugproblemen konden er nog wel bij. Eigenlijk ben ik tot dusver zelden of nooit in complete gemoedsrust aan de start van een grote koers verschenen.”

Dat kan ook voordelig zijn. Als je er vooraf weinig van verwacht kan het in principe alleen maar meevallen?
“Dat is een heel belangrijke insteek, ja. Op één of andere rare manier zorgen die problemen ervoor – als je ze tijdig krijgt opgelost, tenminste – dat je iets meer ontspannen aan de start staat. Begrijp me niet verkeerd: ik zit echt niet te hopen dat me voor een belangrijke wedstrijd onheil overkomt, hoor. Want het kost telkens opnieuw een hoop mentale kracht om jezelf scherp te zetten om het ondanks die problemen tóch goed te doen. ”

 

“Ik ben jaloers op mensen die ‘los’ naar een wedstrijd toeleven. Als ik gezellig zou staan kletsen met iemand aan de start is de kans dik dat ik het startschot niet eens zou horen.”

 

Benijd jij iemand als Jolanda Neff? Dat is iemand die tot pakweg twee minuten voor de start van een wedstrijd vrolijk kwetterend interviews staat te geven.
“Ik ben wel jaloers op mensen die zo ‘los’ naar een wedstrijd kunnen toeleven. Mij zou het absoluut niet lukken. De aard van het beestje, zeker? (Proest) Als ik gezellig zou staan kletsen met iemand aan de start is de kans dik dat ik het startschot niet eens zou horen.”

Wat opvalt als je naar de UCI-ranking kijkt: mountainbike is bij de vrouwen blijkbaar een sporttak waarin je waardig ouder kan worden. Er staan behoorlijk wat dertigers bij de beste twintig in de ranking. Is daar een verklaring voor?
“Dat heeft te maken met ervaring, in eerste instantie. Vrouwen worden doorgaans sterker, taaier vooral, naarmate ze ouder worden. Dat maak je bij mannen minder vaak mee. Akkoord, er zijn limieten aan alles, maar dat vrouwen het ook op latere leeftijd goed blijven doen is niet toevallig. Als ik naar mezelf kijk: ik heb nog steeds de indruk dat ik beter kan worden, zelfs al ben ik 36 jaar. Dat maakt dat ik verder wil blijven koersen, zelfs na de Spelen in Tokio.”

Dat heb je voor jezelf nu al uitgemaakt?
“Ja. Natuurlijk heb ik al eens gedacht aan wat de verre toekomst me moet brengen, maar echt concreet ben ik daar niet mee bezig, momenteel. De focus is volle bak gericht op de Olympische Spelen. Ik wil tóp zijn in Tokio. Dus is er geen ruimte voor andere dingen.”

Hoe kan je op je 36ste nog beter worden?
“Op technisch vlak blijf ik vooruitgang maken. En qua voeding let ik nu nog meer op wat ik doe.”

Hoezo? Je stond daarvoor al bekend als iemand die elke gram afwoog.
“Onder impuls van een diëtist heb ik een ommezwaai gemaakt. Vroeger stond de keuze van mijn eten in het teken van afvallen. Nu beschouw ik voedsel als een krachtbron. Welke brandstof heb ik nodig om mijn lichaam optimaal te laten presteren? Daar ben ik nu mee bezig. En ik voel me er goed bij.”

 

“Ik herinner me zelfs niet wanneer ik voor het laatst frieten heb gegeten. Dat kan gemakkelijk tien, vijftien jaar geleden zijn.”

 

Wat is de laatste culinaire uitspatting die je jezelf hebt gepermitteerd?
“Een kinderijsje, of zo. Of een beetje popcorn. Meer niet. Zelfs ’s winters eet ik altijd sla met kip. Zonder saus. Ook op kerstavond of oudjaar. Ik herinner me zelfs niet wanneer ik voor het laatst frieten heb gegeten. Dat kan makkelijk tien, vijftien jaar geleden zijn. Ik heb het mezelf ooit wel eens in het vooruitzicht gesteld na een goeie prestatie, maar het is er tot dusver nog niet van gekomen. (Resoluut) Als ik het op de Olympische Spelen écht goed zou doen beloof ik mezelf een friet met stoofvlees. Dat is bij deze beslist.”

Je hebt een diploma Lichamelijke Opvoeding. Zie jij jezelf ooit voor de klas staan?
“Nee. Ik wil in het mountainbiken blijven. Als coach van jonge rensters, bij voorkeur. Mijn ervaring en knowhow doorgeven, om het mountainbiken in België wat ‘op te boosten’.”

Heb jij enig idee waarom deze sporttak in een wielerland als België maar moeizaam van de grond komt?
“Er is een probleem, dat kunnen we niet ontkennen. Dat heeft allicht deels te maken met de enorme populariteit van wegwielrennen en veldrijden. Die disciplines krijgen veel media-aandacht. En dat heeft onvermijdelijk een weerslag op de keuze die jongeren maken. Mountainbike wordt een pak kariger bedeeld. Doodjammer is dat. Net daarom hoop ik dat ik de komende tijd nog wat mooie dingen kan laten zien. Niet alleen voor mezelf, maar ook om mijn sporttak wat meer op de kaart te zetten. Hopelijk kan ik voor een aantal jonge meisjes een soort van rolmodel, een voorbeeld, worden. Ik heb gemerkt dat mijn bronzen EK-medaille veel publiciteit heeft gekregen. (Lacht) Ik zat ooit op Velofollies voor een handtekeningensessie en had schrik dat er niemand zou afkomen. Gelukkig bleek dat enorm goed mee te vallen. Leuk voor mezelf, maar veel belangrijker voor de sport in het algemeen. Stel dat ik het in Tokio erg goed zou doen, misschien zou dat voor een echte doorbraak qua populariteit kunnen zorgen. Dat zou mooi zijn. Want dit is een geweldig mooie sporttak, te weinig mensen weten dat. Al geef ik graag toe dat het voor een beginnende atleet niet altijd even makkelijk is. Je moet behoorlijk technisch onderlegd zijn, en af en toe kan het gevaarlijk zijn. In het mountainbiken heb je tegenwoordig van die jumps en rock gardens (sprongen en passages bezaaid met grote rotsen): je moet behoorlijk wat lef hebben om zo’n obstakels te overwinnen. Misschien is dat een beetje een drempel.”

Zou jij een meisje van 10 jaar meteen op de mountainbike zetten? Of zou je ze in afwachting in eerste instantie naar een andere sporttak – veldrijden of BMX, bijvoorbeeld – sturen?
“Mij lijkt het beter dat zo’n meisje in eerste instantie van alles wat proeft. Je leert van elke discipline. Ik heb vorig jaar ook aan veldrijden gedaan, en behoorlijk wat gekoerst op de weg. Dat heeft me als mountainbiker beter gemaakt. Een jong meisje moet zich in eerste instantie amuseren. Om te kiezen heeft ze later nog tijd genoeg.”

Rijdt er ergens bij de jeugd al een nieuwe Githa Michiels rond? Want jij staat in België voorlopig eenzaam aan de top.
“Er zit wel potentieel bij de jeugd. Maar voorlopig moeten ze een evenwicht zoeken tussen school en sport. Doorzettingsvermogen en een omkadering die de juiste prioriteiten aangeeft kunnen hen helpen groeien in deze discipline, zonder hun studies te verwaarlozen. Momenteel speel ik al wat van onze ervaring door. In de hoop dat ze later – indien mogelijk – in mijn voetstappen treden.“

Drie jaar geleden werd je ei zo na Belgisch kampioene op de weg. In 2018 was je vierde op het BK tijdrijden. En je stond ooit op het podium van het BK veldrijden. Heb jij ooit op het punt gestaan je mountainbike definitief in te ruilen voor een andere fiets?
“Ik heb ooit getwijfeld, ja. Want ik kan mezelf zo’n beetje in elke discipline uit de slag trekken. Maar combineren ligt heel moeilijk. Niet iedereen heet Mathieu van der Poel. Voor zijsprongetjes is voorlopig trouwens weinig ruimte, net omdat ik aan zoveel mogelijk mountainbikewedstrijden meedoe in mijn jacht op de noodzakelijke UCI-punten. Ik zal niet of nauwelijks op de weg te zien zijn. En dat is best een beetje jammer. Want vooral tijdrijden is echt mijn ding. Ik heb niet de juiste positie op die fiets, en het mangelt me aan kennis en ervaring. Maar de kriebel is er wel degelijk om daar ooit echt werk van te gaan maken.”

Toen je vierde werd op het BK tijdrijden van 2018 had je voordien één keer met die fiets getraind. Zegt dat iets over jou of over de rest van het deelnemersveld?
“(Lacht) Het eerste, hoop ik. Maar de aard van de inspanning in zo’n tijdrit is vergelijkbaar met de prestatie die je tijdens een mountainbikewedstrijd levert. Dus dat hielp wel. Op de weg wil ik wel eens struikelen over de afstand van zo’n race. Op het WK in Innsbruck mocht ik dat ervaren. Dat was geen echte meevaller. Al had ik toen wel een lang en een zwaar seizoen achter de rug. Weet je, het is jammer dat ik maar één leven heb. Ik zou graag mijn tanden overal in zetten. Maar omdat ik niet hou van half werk ben ik wel verplicht alles in te zetten op één discipline.”

Heeft het financiële aspect nooit een rol gespeeld? De grootverdieners in het vrouwenpeloton – als die er al zijn, tenminste – rijden duidelijk niét met een mountainbike.
“Je kiest voor de dingen waar je goed in bent. Wie zegt dat ik in het veldrijden of het wegwielrennen de top had kunnen bereiken? Misschien is dat iets voor na de Olympische Spelen van Tokio. Ik sluit niks uit. Het kan best dat je me meer op een tijdritfiets zult aantreffen, of als deelneemster aan mountainbike-marathons.”

 Af en toe duiken er crossers als Quinten Hermans, Tom Meeusen of Laurens Sweeck op in het mountainbiken. Bij de vrouwen zie je haast niemand dezelfde oversteek maken.
“Het verschil tussen beide werelden is volgens mij gewoon te groot. Het mountainbiken heeft een eigen, specifieke techniciteit. Die krijg je niet op één, twee, drie onder de knie. Mannen zijn op de fiets doorgaans iets speelser ingesteld, dus is de kloof voor hen kleiner. Een beetje een gok met de natte vinger, maar een andere verklaring heb ik er niet voor.”

 

“Door die bronzen EK-medaille kwam ik weer op de loonlijst van Sport Vlaanderen. En ik hield er een contract van twee jaar bij een nieuw team aan over.”

 

Je staat weer op de loonlijst van Sport Vlaanderen, met een topsportstatuut. Hoe groot was de opluchting?
“Dat was ongelooflijk belangrijk voor me. Met dank aan die bronzen medaille in Glasgow. Die gaf de doorslag, uiteindelijk. En er kwam nog méér los, na die dag. Ik kon aan de slag bij een nieuwe ploeg, een team dat me zekerheid gaf voor twee jaar. Dus hoop ik dat Sport Vlaanderen dezelfde beweging wil maken. Dat zou me een financieel vangnet bezorgen tot ná de Olympische Spelen. Dan kan ik echt naar Tokio pieken zonder andere zorgen aan mijn hoofd. Want voorlopig is het allemaal een beetje dubbel. Stel dat ik een blessure krijg op een ongelukkig moment, dan dreig ik dat statuut opnieuw mis te lopen.”

Primaflor-Mondraker-Rotor staat in voor materiaal, logies en verplaatsingen, Sport Vlaanderen zorgt voor de financiële kant van de zaak: zit het plaatje zo in mekaar?
“Mijn Spaans team staat ook nog in voor een maandelijkse onkostenvergoeding én premies als ik het goed doe. Maar het leeuwendeel van mijn inkomsten komt van Sport Vlaanderen. Dat is mijn werkgever.”

In 2018 en 2019 moest je het zonder steun van Sport Vlaanderen stellen. Hoe kwam je dan rond?
“Door de inbreng van de VDAB, met dank aan de tussenkomst van Cycling Vlaanderen. Ik kreeg een werklozenvergoeding, dopgeld. Dat was een periode waarin elke eurocent een paar keer moest omgedraaid worden voor die werd uitgegeven. Gelukkig bleef Belgian Cycling me al die tijd ook steunen. Dat ik het zo goed deed was onder meer ook aan de inbreng van de federatie te danken.”

Welke financiële regelingen worden er in andere landen getroffen? Heb je daar zicht op?
“De meeste goeie rensters zitten in het leger. Dat gebeurt niet alleen in België.”

 

“Toen mijn vriend en ik gingen samenwonen zagen we echt zwarte sneeuw. Die eerste twee jaar, dat was in overlevingsmodus. Eigenlijk waren we gewoon arm, destijds.”

 

Als je er ooit een punt achter zet, wie heb je dan in eerste instantie te bedanken?
“Mijn ouders en mijn vriend, heel zeker. Zij hebben mij gemaakt tot wie ik vandaag ben. Zonder de opofferingen die mijn vriend zich jaren aan een stuk getroost heeft fietste ik niet eens meer. Mijn vriend kwam in mijn leven op een moment dat ik in een serieuze dip zat. Hij trok me uit de put en begon me moed in te pompen. Zijn rol in mijn successen is zó ongelooflijk belangrijk geweest. Als vriend, als trainer, als steun en toeverlaat in zwarte dagen… Ik kreeg van hem de vrijheid alles op de uitbouw van mijn carrière te zetten, terwijl hij zich dubbel plooide om de rekeningen te kunnen betalen. Toen we gingen samenwonen zagen we echt zwarte sneeuw. Want een loopbaan in het mountainbike kost behoorlijk wat geld. Reizen, hotels, materiaal: we hielden nauwelijks nog wat over voor onszelf. De eerste twee jaar toen we samenwoonden, dat was echt overlevingsmodus. We huurden een huisje, zo goedkoop mogelijk. En op het einde van de maand was het telkens oppassen om de eindjes aan mekaar te kunnen knopen. Eigenlijk waren we gewoon arm, destijds. Dat is niet veel langer geleden dan een jaar of acht. Geen dopgeld, geen subsidies. Miserie.”

Heb je in die periode ooit overwogen de handdoek te gooien?
“Nee. Ik voelde me ten aanzien van Filip verplicht de best mogelijke renster te worden. Op die manier werd ik steeds beter, en kwam dat topsportstatuut er voor de eerste keer aan. Dat zorgde eindelijk voor financiële ademruimte. Na de Olympische Spelen in Rio was er weer een bang moment toen de steun van Vlaanderen ophield, en uitgerekend op hetzelfde moment trok Versluys, mijn team, er ook de stekker uit. Opnieuw doorbijten, ook al bleef Versluys me steunen als enige renner. Tot het na Glasgow weer goed begon te gaan. Weet je: de hele tijd door bleven we samen aan de gang, Filip en ik. Omdat we de hele tijd het gevoel hadden dat ik nóg beter kon worden. Wij zijn een twee-eenheid. Samen naar de top.”

 

“Ik wil als renner steeds maar beter worden, maar tegelijk is er die kinderwens die maar de kop blijft opsteken. Echt, ik weet niet wie er zal winnen.”

 

Steeds maar hoger mikken als atleet, terwijl er op de achtergrond een biologische klok tikt. Is dat een strijd die je ook moet voeren?
“Toch wel, ja. Ik wil graag kinderen. Maar de kans bestaat dat dat niet zal lukken, dat weet ik. Ik ben niet meer van de jongste. Het is nu eenmaal zo dat ik voor dit leven gekozen heb, en dat ik dat met passie beleef. Maar tegelijk is er ‘dat andere’, die kinderwens die weer de kop opsteekt. Echt, ik weet niet wie er zal winnen. Waar ik wel zeker van ben: tot en met Tokio ligt de focus gewoon op fietsen. Als ik op de Olympische Spelen het maximale zou kunnen bereiken en ik heb het gevoel dat het niet meer beter kan, nadien… Dan bestaat de kans dat die andere wensdroom in vervulling gaat. Ben ik nog altijd hongerig voor meer, dan belandt die wens weer in de schuif. (Lacht) Ik spreek mezelf tegen, ik weet het. Dat betekent gewoon dat ik er nog steeds niet uit kom.”

Tekst: Guy Vermeiren
Foto’s: Facepeeters

Recent

  • #weg

    Veiligheid primeert

    06 juli 2020
    Belgian Cycling kijkt uit naar stages en koersen met nationale ploegen  De laatste renners die het shirt van Belgian Cycling...
  • #weg

    "Alleen topwedstrijden blijven over"

    10 juni 2020
    Sportsecretaris Xavier Vandermeulen ziet 85 procent van de koersen op de Belgische kalender geschrapt Heel langzaam zetten we met zijn...
  • #weg

    Streven naar maximale prestaties: Belgian Cycling start langdurige samenwerking met INSCYD

    03 juni 2020
    INSCYD en Belgian Cycling hebben zonet een vierjarige samenwerkingsovereenkomst ondertekend. Dit partnerschap richt zich op alle disciplines binnen onze federatie....
Menu