• Bondscoach Sven Vanthourenhout ziet in het veldrijden alleen maar weelde bij de mannen


    10 oktober 2019
    #veldrijden

“Vrouwelijk talent gevraagd”

Twee Wereldbekermanches in de Verenigde Staten. En drie ‘losse crossen’ in ons land. Maar met de eerste klassementswedstrijd – de openingsmanche van de Superprestige in het Nederlandse Gieten – die komend weekend op stapel staat komt het veldritseizoen stilaan écht op kruissnelheid. Tijd om bondscoach Sven Vanthourenhout aan het woord te laten. Met een vooruitblik op het komende seizoen, glazen bol bij de hand.

Ook al was Sven Vanthourenhout tot eind vorige maand nog volle bak bezig met wegwielrennen – de West-Vlaming is nog niet zo lang terug uit Yorkshire, waar hij op het WK actief was als assistent van Rik Verbrugghe –, toch hield hij zijn poulains in het veld de afgelopen weken nauwgezet in de gaten. “Het is voorlopig even wennen, zo zonder Wout van Aert en Mathieu van der Poel. Maar de voorbije weken leerden me dat er in hun afwezigheid vaak met open vizier gestreden wordt. Goed voor de spankracht.”

Kunnen we het veldritseizoen in drie stukken onderverdelen? Een periode zonder Van der Poel, een tijdsspanne mét Mathieu en tenslotte de mogelijke terugkeer van Wout van Aert?

Sven Vanthourenhout: “Voor een stuk heb je gelijk. Al blijft het natuurlijk af te wachten a) wanneer Van Aert terugkomt en b) op welk niveau dat zal zijn. Ik ben er wel van overtuigd dat Van der Poel meteen weer dominant zal zijn en de rest meteen weer overklast als hij terugkeert in het veldrijden. Wat Van Aert betreft: er is heel veel revalidatie nodig vooraleer hij na zijn val in de Tour weer competitief zal zijn. Ik zie hem wel meedoen aan een aantal veldritten, dat wel. Maar ik denk wel dat de focus zelfs dan in eerste instantie zal liggen op de voorbereiding van zijn wegseizoen. Ik weet niet of hij specifiek een doel zal maken van topprestaties in het crossen, ik veronderstel dat de veldritten die hij afwerkt een plaats zullen krijgen in de opbouw naar het klassieke voorjaar. Pas op, zelfs in die omstandigheden zou het wel eens kunnen dat hij verrassend uit de hoek komt. Wout van Aert is iemand die zelfs op 80 à 90 procent van zijn kunnen een hoofdrol kan vervullen in een cross. Van winnen spreek ik nog niet, nee. Want iedereen – ook Wout zelf – weet dat hij 100 procent in orde moet zijn om te kunnen rivaliseren met Mathieu van der Poel. En dat zie ik komende winter niet echt gebeuren, al hoop ik natuurlijk dat ik ongelijk krijg. Er gaat gewoon te veel werk vooraf om in het crossen op dat niveau te kunnen komen.”

“Het is niet omdat ik bondscoach ben dat ik Wout van Aert wil blijven opeisen als veldrijder.”

In het verlengstuk van je veronderstelling… Zou het kunnen dat dit dan – zij het door omstandigheden – een afscheid is van Wout van Aert als topcrosser? Met andere woorden: dat hij veldritten voortaan niet langer als een specifiek doel beschouwt, maar louter als bouwstenen in de opbouw van zijn conditie als wegrenner?

“Ik begrijp wat je wilt bedoelen. Maar ik denk van niet. Het is niet omdat ik bondscoach ben dat ik hem wil blijven opeisen als veldrijder. Ik hoop uit de grond van mijn hart dat hij een mooie carrière uitbouwt, in welke discipline ook. Maar ik ben er tegelijk zeker van dat wat hij altijd gedaan heeft in het crossen hem tot de wegrenner gemaakt heeft die hij nu is. Ik denk dat zowel Wout als Mathieu dat goed genoeg beseffen, en dat ze dat bij hun respectievelijke ploegen ook begrepen hebben. Het enige verschil met het verleden zal allicht zijn dat beide renners niet langer 30 of 35 crossen in hun programma zullen opnemen. Op termijn zal dat herleid worden naar 15, maximum 20. Wat in principe nog altijd mooi zou zijn voor de veldritsport. Ik zie het die kant uitgaan, echt. In een definitief afscheid geloof ik niet.”

In het damesveldrijden zie je dat al langer. Marianne Vos, Lucinda Brand, Jolanda Neff, Pauline Ferrand-Prévot: toppers uit andere disciplines zakken af naar de cross ergens in december en beginnen daar meteen mee eerste viool te spelen.

“Ik weet niet of Van Aert en Van der Poel zo lang zullen wachten. Daarvoor crossen ze allebei te graag. Eerlijk gezegd zie ik ze in de toekomst ergens in november ‘instappen’. Maar, tegelijk, dat hangt natuurlijk ook van hun programma af. Als er ergens een wereldkampioenschap op de weg op stapel staat waarvan het parcours hen zint, loopt die terugkeer in het veld logisch gezien vertraging op. Want zo’n WK wordt nu eenmaal altijd eind september afgewerkt. Maar zelfs dan acht ik ze nog in staat om mee te doen voor de wereldtitel, hoor. Vos, Brand en Ferrand-Prévot zijn tenslotte ook al wereldkampioen veldrijden geweest na een relatief korte voorbereidingsperiode.”

Het heeft allemaal wel één opmerkelijk gevolg: de waarde van de klassementen daalt, nu de toppers daar niet echt meer op gaan mikken.

“Dat is een trendbreuk. Maar het is logisch dat Wout en Mathieu keuzes maken. Ze hebben nu eenmaal de capaciteiten dat ze in diverse disciplines een hoofdrol kunnen vervullen. Als Van Aert ritten kan winnen in de Ronde van Frankrijk, wie kan hem dan kwalijk nemen dat hij de schaar zet in zijn programma als veldrijder?”

“Zonder Wout en Mathieu zijn de crossen voorlopig spannender.”

Veldrijden is natuurlijk méér dan Van Aert en Van der Poel. Gaan we de komende weken in hun afwezigheid steeds wisselende winnaars krijgen, denk je? Of neemt er één iemand de boel gewoon – misschien tijdelijk – over?

“Op basis van wat we tot dusver gezien hebben staan er geregeld andere winnaars op. Zo is het erg leuk te merken hoe vlot Eli Iserbyt de stap naar het hoogste niveau heeft kunnen zetten. Eén ding lijkt me zeker: het wordt de komende tijd spannender in het veldrijden. Er zal meer onderlinge strijd zijn, er zal tactischer gereden worden, nogal wat renners zullen gaan geloven dat ze nu ook kans zullen maken op winst. Al zullen ze onvermijdelijk telkens worden geconfronteerd met de opmerking dat ze alleen maar hebben kunnen winnen door het feit dat die twee tenoren er niet bij waren. Het zal een tijdje duren voor die reflex zal slijten, vrees ik. Maar op termijn gaat dat er wel uit.”

Laurens Sweeck en Michael Vanthourenhout wonnen al wedstrijden. Iserbyt scoorde twee keer in de Verenigde Staten. En Toon Aerts blijft een vaste waarde. Zie jij nog nieuwe namen opduiken aan de top? Quinten Hermans, bijvoorbeeld?

“Dat zou eigenlijk moeten, ja. Ik weet dat Quinten een heel grote motor heeft. En in principe zou hij in staat moeten zijn om een hoofdrol te gaan vervullen, elke week opnieuw. Minstens bij de beste vijf, beter nog bij de beste drie. Maar echt nieuwe namen zie ik verder niet opduiken, hoor. We gaan ook deze winter verder met de renners die al een tijdje opgang aan het maken zijn. Ook van Daan Soete verwacht ik wel wat, de komende maanden. Wat Toon Aerts betreft: iedereen kent zijn kwaliteiten. Hij werkte vorig jaar een fantastisch seizoen af. Dus rijst de vraag of hij de komende maanden kan bevestigen. Want al die zeges, al die podiumplaatsen herhalen: vanzelfsprekend wordt dat niet. De Wereldbeker winnen, Belgisch kampioen worden, een medaille halen op het WK: dat is gewoon uniek. Hoe hij met die druk zal omgaan, dat benieuwt me. Al blijf ik ervan overtuigd dat hij een pure crosser is, iemand die absoluut het maximum uit zijn carrière zal halen.”

 

“Cross bij de mannen blijft een Belgisch-Nederlandse sport. Zo lang dat niet verandert vrees ik voor de internationalisering van deze discipline.”

Zie jij bij de niet-Nederlandstalige mannelijke crossers verrassende namen opduiken?

“Niet meteen, nee. We moeten er eerlijk in zijn: veldrijden blijft bij de mannen een voornamelijk Belgisch-Nederlandse sport. En zo lang dat niet verandert vrees ik voor de internationalisering van deze discipline. Het mangelt ons aan buitenlandse renners met uitstraling.”

Heb je al een antwoord gevonden op de vraag waarom dat bij de vrouwen wél lukt? Daar staan maar één of twee Belgische vlaggetjes bij de beste tien in de uitslag.

“(Lacht) Bij de vrouwen mag het aan Belgische kant zelfs iets méér zijn. Ik heb er geen echte verklaring voor. Ook opmerkelijk: bij de dames zie je renners die uit andere disciplines als mountainbike en wegwielrennen komen meteen aansluiten bij de top. Dat lukt bij de mannen om één of andere reden gewoon niet. Want mountainbiketoppers als Hermida, Absalon en Schurter hebben het heus wel geprobeerd. En dat heeft echt niet te maken met het feit dat het algemene niveau bij de vrouwen lager is. Want dat is de laatste jaren echt torenhoog geworden. Een dikke pluim dus voor Sanne Cant. Die was er tien jaar geleden ook al bij, en zij heeft enorme vorderingen moeten maken om aan de top te kunnen blijven. Als je ziet hoe ze vorig seizoen in Bogense wereldkampioene werd, dat was van een niveau dat ik zelden heb gezien in het veldrijden. Maar jammer genoeg lijkt er voor haar niet meteen een opvolgster in zicht.”

De nummers twee en drie in het veldrijden zijn Ellen Van Loy en Loes Sels, allebei dertigers. En de groei van Laura Verdonschot verliep de afgelopen jaren trager dan verwacht.

“Dat klopt. Verdonschot is niet doorgegroeid, eerlijk is eerlijk. Ze doet er alles aan, en ik hoop dat het haar dit jaar lukt. Een paar jaar geleden kwam ze net kijken als renner, en op een bepaald moment leek ze zelfs even dicht in de buurt van Sanne Cant te kunnen komen. Maar die lijn trok ze niet door. Ik heb het grootste respect voor wat Ellen en Loes op hun leeftijd nog kunnen, maar toekomstgericht kan je daar als bondscoach niet echt meer op gaan bouwen. Tja, en jammer genoeg zit er echt weinig vrouwelijk talent aan te komen. Dat is een groot probleem, dat steek ik niet weg. Terwijl er genoeg aan gedaan wordt om meisjes warm te krijgen voor het veldrijden. De federatie verzet hemel en aarde, al van bij de aspirantjes. Maar als er geen of veel te weinig belangstelling is: wat moet je dan? In Nederland groeien ze bij wijze van spreken aan de bomen, terwijl wij moeite hebben om meisjes in competitieverband op de fiets te krijgen. Zoeken, zoeken, zoeken en niks vinden.”

Alarmerend, terwijl er straks voor het eerst een Europese én een wereldtitel op het spel staan bij de dames junioren.

“Makkelijk wordt het niet, maar dat zal niet alleen voor België het geval zijn. Ook in die categorie zal blijken dat Nederland lichtjaren voorsprong heeft op de rest. Maar ik maak er werk van, in samenspraak met de ploegen. Het kan iets van lange adem zijn, maar het is en blijft de bedoeling op termijn ook in die categorie competitief te zijn.”

 

“Ik ben geen voorstander van klassementscrossen. Zeker niet voor jeugdrenners.”

Jij maakt deel uit van de cyclocrosscommissie van de UCI. Wat heb je daar al aangekaart, en wat zit er nog in de pijplijn?

“Ik ben nu al twee keer naar een vergadering van die commissie geweest. We zijn vooral met de toekomst bezig, onder meer met hoe de veldritsport er vanaf volgende winter uit zal zien. Want iedereen weet dat er grote veranderingen op stapel staan. De Wereldbeker gaat toenemen in belang, en krijgt een meer dominante rol. Eind november is er een volgende vergadering. Ik veronderstel dan dat we daar duidelijkheid gaan krijgen. Waar we voor de rest over praten? Van het domste van het domste – herinner je het ‘rollen-incident’ met Wout van Aert, die de podiumceremonie enorm vertraagde – tot ingrijpende wijzigingen in het reglement.”

Heeft de UCI eigenlijk nog inspraak in hoe de volgende veldritcampagne er uit zal zien? Ze zetten de Wereldbeker niet langer zélf op poten.

“Dat zal wel meevallen, hoor. Er zullen wel bepaalde clausules in die overeenkomst staan. De UCI handelt in het belang van de sport, en zij zullen er wel voor zorgen dat dat zo blijft. Het worden fascinerende tijden, dat staat vast. Maar vraag me niet hoe het straks zal uitdraaien. Er zullen winnaars en verliezers zijn, maar dat is eigen aan de sport.”

Hebben de klassementscrossen nog toekomst in dat ‘nieuwe veldrijden’, denk je?

“Ik mag dat eigenlijk niet luidop zeggen, maar ik ben geen voorstander van klassementen. Voor veel profrenners is dat financieel natuurlijk een meerwaarde. Maar voor jeugdrenners zie ik er het voordeel niet van in. Dat heeft het verleden me geleerd, zelfs vóór ik bondscoach werd. Er werd gewoon te veel druk gelegd om jonge renners overal te laten rijden, net omdat ze een klassement te verdedigen hadden. En af toe toe was er nog druk om ergens bij hen in de buurt te gaan rijden, om hun supporters niet teleur te stellen. En dan kom je in januari, de maand die er écht toe doet, en dan krijg je te horen van ‘ik heb de afgelopen maanden misschien te veel gekoerst’. Niet dat ik de klok helemaal wil terugdraaien bij de profs, maar er is een tijd geweest dat iedereen aan de start van een Wereldbekerwedstrijd verscheen met het mes tussen de tanden. Er mocht maar een beperkt aantal renners van één land meedoen, er werd echt met nationale selecties gewerkt. Maar de afgelopen jaren zijn die eens zo prestigieuze wedstrijden gewoon één van de vele koersen in het rijtje geworden. De toppers komen continu tegen mekaar uit, zelfs in de kleinste wedstrijden. En ze komen allemaal rechtstreeks op televisie. Een manche van de Wereldbeker mag wat mij betreft weer ‘een half WK’ worden. Pas sinds vorig jaar zijn sommige renners opnieuw keuzes gaan maken, zijn ze gaan schrappen in hun programma en laten ze wedstrijden bewust links liggen. Dat komt hen soms op kritiek te staan, maar ik ben daar een voorstander van.”

“Ik heb gemengde gevoelens bij crossen in Amerika. We hadden beter in Europa aan ‘monumentenzorg’ gedaan.”

Hoe kijk jij eigenlijk tegen de Amerikaanse campagne aan die de renners net achter de rug hebben?

“Met gemengde gevoelens. Een paar jaar geleden vond ik dat een goeie zaak, in het kader van de internationalisering van de veldritsport. Maar dan ga je na een poosje toch merken dat het niet écht aanslaat, daar in de Verenigde Staten. De pelotons worden kleiner, steeds minder renners maken de oversteek. En dan kom je, zoals nu, op een moment dat er in de beide elitecategorieën gekoerst wordt zonder wereldkampioen aan de start. Voor de organisatoren is dat geen prettige vaststelling. In het geval van Van der Poel kan je dat natuurlijk begrijpen, die zat met het WK op de weg in zijn achterhoofd. Maar Sanne Cant heeft het een paar jaar echt geprobeerd, ginder gaan crossen, maar ze houdt het nu toch ook voor gezien. Ik krijg van langsom meer het gevoel dat we met zijn allen een stap hebben overgeslagen. In plaats van te kiezen voor een Amerikaans avontuur hadden we beter in Europa aan monumentenzorg gedaan. Weer te gaan opbouwen wat verdwenen is. Wetzikon in Zwitserland, Igorre in Spanje, Milaan in Italië. Dát zou het eerste werk moeten zijn.”

Tot slot. Haal je glazen bol eens boven… Wie wordt Europees kampioen?

“Mathieu van der Poel.”

Wie wordt Belgisch kampioen?

“Michael Vanthourenhout.”

Wie wordt wereldkampioen?

“Mathieu van der Poel.”

Tekst: Guy Vermeiren
Foto’s: Photonews

Recent

  • #weg

    “Onzekerheid is troef”

    07 april 2020
    Technisch directeur Frederik Broché moet huiswerk deels opnieuw maken na wijziging datum Olympische Spelen De kogel is door de kerk....
  • #Nieuws

    Onze partners dragen bij aan de strijd tegen corona

    02 april 2020
    De verspreiding van het coronavirus heeft een grote impact op de activiteiten van de Belgische bedrijven. Ook de vele partners...
  • #Nieuws

    'Heeren, vertrekt! In de kop van de Koers'

    12 maart 2020
    Is Vlaanderen Koers en is de Koers Vlaams? Veel Vlamingen kunnen zich in ieder geval geen voorjaar voorstellen zonder opzwepende...
Menu