• Belgisch kampioen Tim Merlier wil niet kiezen tussen wegrennen en crossen


    17 september 2019
    #weg

“Ik amuseer me op twee fietsen”

Niks is nog wat het geweest is voor Tim Merlier. Een voltijdse veldrijder die Belgisch kampioen op de weg werd, stel je voor. Niet alledaags, maar in een tijdperk waarin ook crosscollega’s als Van der Poel, Van Aert en Teunissen zich een plek tussen de beste wegrenners hebben verworven nu ook weer niet zó uitzonderlijk. Van kiezen tussen twee liefdes is voor Tim Merlier dan ook geen sprake. “Ik heb twee fietsen waarop ik me amuseer. En ik zie geen reden waarom ik daar verandering in zou brengen.”

De reis van Tim Merlier door het profpeloton heeft nog steeds iets van een ontdekkingstocht. Hij is een subtopper in het veldrijden, geeft hij zelf toe. En de kans dat daar verandering in komt is nagenoeg nihil. Als wegrenner lijkt de 26-jarige spurter méér progressiemarge te hebben. En niet toevallig lijken zijn dromen als atleet dezelfde kant uit te gaan…

Je werd in het begin van de zomer Belgisch kampioen op de weg. Zit je nog steeds in het stadium dat je jezelf nog continu in de arm moet knijpen, om jezelf duidelijk te maken dat dit géén droom is?

Tim Merlier: “Ik zit nog steeds in de fase van verwondering. Elke keer als ik dat shirt in de kast zie liggen of ik haal het uit de wasmachine verschijnt er een brede glimlach op mijn gezicht. Als ik op training vertrek en ik zet mijn helm en mijn bril goed, dan kijk ik altijd even naar mijn weerspiegeling in het raam. Als om te checken of het allemaal wel echt gebeurd is. Het wil maar niet wennen, net dat maakt het zo leuk. Ik, kampioen van België: stel je voor. Jarenlang heb ik gedacht dat ik dat misschien ooit als veldrijder zou kunnen meemaken. Maar dit… Dit slaat echt alles.”

Die trui brengt je in de aandacht van het brede publiek, van mensen die misschien nooit eerder van Tim Merlier hadden gehoord. Komt daar nog bij dat de media je ook heeft ontdekt. Even wennen?

“Vroeger kreeg ik af en toe ook wat aandacht in de krant. (Glimlacht) Op de regionale pagina’s. Sinds die overwinning in het Belgisch kampioenschap zijn de interviews met mij in de gazetten van plaats veranderd. En wat die bekendheid bij het publiek betreft, die is wel degelijk toegenomen. Maar ik zit nog steeds in het stadium dat ik het allemaal plezant vind, die erkenning. Als mens heeft het me geen sikkepit veranderd. Ik ga nog steeds met volle goesting iets drinken op het terras van het café van mijn moeder, en ik sla een babbeltje met de klanten. Vroeger deed ik dat ook al, en ik zie absoluut geen reden om daar iets aan te veranderen. Hinderlijk is het geenszins, ik had de impact zelfs nog wat groter verwacht. Allicht had het iets te maken met het feit dat de Tour meteen na het BK begon. In eigen land, nog wel. Dat maakte dat er weinig tijd was om stil te staan bij mijn titel. Af en toe zie je zelfs mensen luidop denken van wie is dat? als ik hen met mijn kampioenentrui om de schouders op training passeer. Grappig.”

“Ik ben iemand die het moeilijk heeft om nee te zeggen. Ik maak graag mensen blij. Maar gelukkig kan ik me deze winter wegsteken achter een druk crossprogramma, zodat ik niet op elke uitnodiging voor een sportavond of een huldiging moet ingaan.”

 

Wacht je straks een drukke winter? Je komt uit een streek waar nogal wat sportavonden worden georganiseerd, en af en toe zal er allicht ook wel eens een huldiging op het programma staan.

“Als ik mag afgaan op het aantal uitnodigingen dat ik kreeg in de dagen die volgden op dat BK wacht me een drukke winter, ja. Begin juli kon ik op geen enkele invitatie ingaan omdat ik daags na de wedstrijd meteen naar Ibiza vertrok, en nadien kon ik me wegsteken achter een druk koersprogramma op de weg. Gelukkig maar, want ik ben iemand die het moeilijk heeft om nee te zeggen. Ik maak graag mensen blij, en dat komt niet altijd even goed uit voor een renner. Ik verwacht dat ik in de winter weer behoorlijk wat vragen zal krijgen, maar ook dan kan ik mijn crosskalender als excuus aanhalen. Al neemt dat niet weg dat ik af en toe wel zal ingaan op een of andere uitnodiging. Ik zou echt niet willen dat de mensen me arrogant gaan vinden, of zo. Dat neemt soms gekke vormen aan. Zo heb ik een flink stuk van mijn vakantie na het BK gespendeerd aan het persoonlijk beantwoorden van letterlijk iedereen die me na het behalen van die titel gefeliciteerd heeft. Andere mensen kunnen dat misschien dom vinden, ik nam het er graag bij.”

Als je wint heb je vrienden. Heb je er veel van dat slag bijgekregen?

“Ja. Nu maak ik het mee dat mensen die me jaren aan een stuk straal voorbijliepen plots doen of ze al tijden mijn beste vriend zijn. Dat hoort er bij, zeker? Kijk, ik had als crosser een rotwinter achter de rug. Een parasiet had zich in mijn lichaam genesteld, mijn bloedwaarden lagen overhoop, en in plaats van te rusten bleef ik maar verder ploeteren, tegen beter weten in. Geen wonder dat de resultaten uitbleven. Ik overdrijf niet: op een bepaald moment stond er voor de start van de wedstrijd letterlijk niemand meer aan mijn camper. Zoveel supporters hou je dus over als het slecht gaat. En nu zijn ze er allemaal terug, en wordt het straks misschien opnieuw dringen aan mijn mobilhome deze winter. Je kan daar bedenkingen bij hebben, maar dat verandert de zaak niet. Ik ben heus wel in staat mijn filter aan te zetten, hoor. Ik weet perfect wie het goed met me voorheeft en wie nu plots opduikt omdat het me als renner weer goed vergaat.”

“Mensen die me jaren aan een stuk straal voorbijliepen doen nu plots of ze mijn beste vriend zijn. Toen het me vorige winter als crosser slecht verging stond er letterlijk niemand meer aan mijn camper. Nu zijn ze allemaal terug.”

 

Ik neem aan dat je op je 26ste perfect weet waar jouw grenzen als veldrijder liggen?

“Dat klopt, ja. Ik weet nu al dat ik nooit een klassement op mijn naam zal kunnen schrijven. Ik ben en blijf allicht een renner die het van uitschieters zal moeten hebben. Daar kan ik me perfect bij neerleggen. Liever af en toe héél goed dan de hele tijd door gemiddeld.”

Dan kan je ’s winters af en toe een rustperiode inlassen? Komt handig uit, omdat je ook een carrière op de weg ambieert.

“(Lacht) Ik heb onlangs mijn voorlopige veldritkalender voor deze winter bekeken. Daar staat toch een cross of 35 op. Van rust is er dus weinig sprake, vrees ik. Al sluit ik niet uit dat ik één en ander de komende weken toch nog ga herbekijken. Want als ik van de ploeg het voorjaar mag rijden – ik zou mijn trui graag in de klassiekers tonen – moet er gesneden worden in mijn winterprogramma. Een beetje met lood in de schoenen, want ik ben een renner die graag álles rijdt. Schrappen wordt niet makkelijk, dat weet ik nu al.”

Levert die Belgische titel op de weg je als crosser meer startgeld op?

“Afgaande op de eerste aanbiedingen die ik kreeg niet, nee. Ook al heeft het in wezen niks met mekaar te maken, ik had toch op iets meer gerekend. Kijk, ik volg Yves Lampaert op als Belgisch kampioen op de weg. Als Lampi het op een bepaald moment in zijn hoofd had gekregen mee te doen aan een crosske zou hij meer startgeld krijgen dan wat ze me nu aanbieden. Een beetje jammer, toch.”

Mag ik je als veldrijder bij de subtop situeren?

“Als je mijn resultaten van vorige winter als maatstaf neemt ben ik het eens met die stelling. Maar achter Van der Poel en Van Aert ben ik toch een van de renners waar je rekening mee moet houden. Twee jaar geleden stond ik in bijna elke cross die na het WK werd georganiseerd  als tweede of derde op het podium. Dan heb je als renner toch iets in je mars, niet? Als crosser ben ik geen pannenkoek. Ik ken mijn plaats in het veldritpeloton.”

Als wegrenner lijk je veel meer ‘rek’ te hebben.

“Daar ben ik zelf ook van overtuigd. Ik zal nooit de crosser worden die tien crossen op één seizoen wint. Zeker niet als Van der Poel en Van Aert blijven veldrijden. Als wegrenner scoor ik makkelijker. En ik merk dat ik in die discipline progressie blijf maken, terwijl ik als crosser weet tot wat ik in staat ben.”

“De leider van een groep zijn, dat is een rol die niet bij mijn persoonlijkheid past. Ik verkies luisteren boven praten. Ik moest echt een drempel over toen ik voor het eerst orders moest geven aan mijn ploegmaats.”

 

Tijdens je eerste selectie voor de nationale wegploeg, op het EK in Alkmaar, was je tegelijk kopman én de stilste aan tafel. Je zit als wegrenner nog volop in een soort van leerproces, lijkt het.

“Wat wil je? Het gaat allemaal zo snel. Ik ben geen grootprater, niet de man die een heel gezelschap animeert. Ik verkies luisteren boven praten. De leider van de groep zijn, dat is een rol die niet bij mijn persoonlijkheid past.”

Het leek wel of je onder de indruk was de naam en faam van de renners die je omringden.

“Dat kan best. Het duurde een poosje voor ik wat losser kwam. Net daarom is het goed dat Belgian Cycling de nationale ploeg een paar dagen vóór een EK of een WK al samenbrengt. Al die mannen kennen mekaar al jaren, en plots kom je terecht in een milieu waarin je toch even de vreemde eend in de bijt bent. Maar ook dat went weer na verloop van tijd, hoor.”

In de Tour d’Alsace moest je als spurter voor het eerst leiding geven, droeg je je ploegmaats op hoe ze de spurt moesten voorbereiden. Dat kostte je aanvankelijk een beetje moeite.

“Ik moest een soort van drempel over, dat mag je wel zeggen. Maar uiteindelijk verliep het toch van een leien dakje. In Alkmaar, in de aanloop naar het EK, zat ik met hetzelfde gevoel. Moet ik straks orders gaan geven aan jongens die al klassiekers hebben gewonnen? ging het door mijn hoofd. Maar uiteindelijk was de mindset voor de wedstrijd toch de juiste. Als het zover was gekomen had ik toch mijn toer gedaan om uit te leggen hoe ik de sprint ingeleid had willen zien. Uiteindelijk zijn al die gelegenheidsploegmaats toch professioneel genoeg om de juiste dingen te doen. Helaas gooide een bandbreuk op een héél slecht moment roet in het eten. De sprint die ik vooraf in gedachten had kwam er gewoon niet.”

Heb je de indruk dat al je collega’s op de weg je die titel gunnen? Je bent tenslotte een veldrijder die hen de kaas van het brood kwam halen.

“Na de finish in Gent bolde ik eindeloos lang uit. Toen ik terugkeerde naar het podium moest ik toch behoorlijk veel stoppen om felicitaties van andere renners in ontvangst te nemen. De meesten gunnen het me wel, denk ik. Haters heb je natuurlijk altijd, maar daar laat ik mijn slaap niet voor. Trouwens, ik ben de laatste weken gaan ervaren dat steeds minder wegrenners me als een veldrijder zijn gaan beschouwen. Ik ben stilaan één van hen geworden.”

 

“Steeds minder wegrenners bekijken me als een veldrijder. Ik ben stilaan één van hen geworden.”

 

Op een schaal van honderd: hoeveel procent wegrenner ben je nu ondertussen?

“Fifty-fifty, zeg maar. Of, als ik echt eerlijk ben: mijn hoofd staat ondertussen al meer naar de weg. Na mijn winst in de Elfstedenronde kreeg ik voor het eerst de vraag of ik niet beter resoluut zou opteren voor een carrière als wegrenner. Die is me ondertussen al wel duizend keer gesteld, denk ik. Terecht, want soms vraag ik me dat ook af. Al blijf ik er tegelijk van overtuigd dat het ene het andere niet in de weg hoeft te staan. Ik heb geen zin om drie weken voor een ploegstage in pakweg Calpe te gaan zitten terwijl ik op datzelfde moment ergens aan een cross kan meedoen. Dat die aanpak ook op de weg tot mooie resultaten kan leiden hebben nogal wat van mijn collega-veldrijders de voorbije maanden bewezen. Denk maar aan Van der Poel, Van Aert en Teunissen. Hun voorbeeld zet me aan het dromen. Ook al is het wegseizoen voor mij niet eens afgelopen en wacht me nog een winters programma, ik zit nu al te denken aan volgend voorjaar. Aan hoe fijn het zou zijn aan de klassiekers deel te nemen met die mooie trui om de schouders.”

Moet je een beetje prettig gestoord zijn om een carrière als spurter te willen uitbouwen?

“Je moet vooral een soort van tunnelvisie hebben. Op 2 kilometer van de finish gaat er bij mij een knop om. Dan lijkt het net of ik terecht kom in een andere wereld, dat er een soort van beestje in mij naar boven komt. Heel raar. Wat ik doe als iemand me een kwak verkoopt? Vroeger zou ik daar veel heftiger op gereageerd hebben, maar nu besef dat ik dat dat er op een of andere manier bij hoort. Eigenlijk laat ik in de aanloop naar de sprint nog veel te veel op mijn kop zitten. Soms is dat intimiderend, zeker als je in een wedstrijd met een lager niveau qua deelnemers zit. Dan heb ik mezelf echt moeten dwingen om echt méé te gaan knokken, om me niet opzij te laten zetten.”

Stel: je krijgt een wenslijstje. Daarop mag je invullen wat je pakweg de komende drie jaar wilt winnen. Wat kies je?

“Doe mij maar een semiklassieker en een rit in de Tour. Mijn échte sportieve wensdromen situeren zich niet langer in het veldrijden, dat klopt.”

Je werkte het wegseizoen af tot en met de Antwerp Port Epic. En in oktober duik je weer het veld in. Om vervolgens eind februari te herbeginnen als wegrenner, voor een volledige klassieke campagne. Dat maakt bijna twaalf maanden aan één stuk koersen. Er belandt veel hooi op je vork.

“Na de Antwerp Port Epic gaat de riem er heel even af. En na het BK was er ook al een kleine rustperiode. Ik heb genoeg aan een paar dagen zonder fiets om meteen weer goesting te krijgen. Mijn teller gaat nogal makkelijk weer op nul. Het Amerikaanse luik van het veldritseizoen sla ik met veel plezier over. Een paar keer op rij herstelde ik slecht van die verplaatsing. Als de crossers terug in Europa zijn spring ik mee in de dans.”

Blijf je bij Corendon?

“Ik heb tot eind volgend seizoen getekend. Dus in principe wel, ja. Of er een clausule in mijn contract staat dat ik kan vertrekken als er een WorldTourploeg op de proppen komt? Goeie vraag. (Lacht) Dat zou ik eens moeten bekijken. Maar het is niet de bedoeling dat ik vertrek, hoor. Dit team geeft me de kans uit te komen op de weg én in het veld. En als je ziet hoe goed het ons als ploeg dit jaar op de weg vergaat, dan heb ik ook geen reden tot klagen. Plus: ik ben dankbaar voor de kans die ik gekregen heb. Een tijdje zonder merk zitten, met een zwarte trui rondrijden, echt prettig was dat niet.”

“Ik zat echt diep, toen ik geen ploeg vond om op de weg uit te komen. Van miserie heb ik me zelfs een paar keer een flink stuk in de kraag gedronken.”

 

Harde noten gekraakt in die periode?

“Toch wel. Ik zat behoorlijk diep, vorige winter. Op sportief vlak bakte ik er in het veldritseizoen weinig van, en nadien vond ik geen ploeg om op de weg uit te komen, terwijl ik een doel had gemaakt van het Belgisch kampioenschap in Gent. Ik zat al een hele tijd met dat BK in mijn hoofd. Ik ben van de streek, kende het biljartvlakke parcours als mijn achterzak, wist dat ik een unieke kans had om voor winst te gaan. Tja, en dan zit je daar in de aanloop naar dat kampioenschap rondjes te rijden in kermiskoersen, in een zwarte trui. Geen voorbereiding die je een kans op succes garandeert. Ook al bleef ik altijd trainen, van miserie heb ik me toch een paar keer een fameus stuk in mijn kraag gedronken. Aan stoppen dacht ik nooit,  maar ik kan je wel stellen dat ik ongelooflijk opgelucht was dat de Corendonploeg me aan boord haalde, vlak voor de Baloise Belgium Tour. Korte tijd later won ik de Elfstedenronde, en ik was meteen gelanceerd. Ik kwam terecht in een team dat onder impuls van een topper als Mathieu van der Poel boven zichzelf was gaan uitgroeien. En al vanaf mijn eerste wedstrijd verklaarden de ploegmaats zich bereid in mijn dienst te gaan werken als er een spurt op stapel stond. Echt, ik heb het getroffen.”

Als je ziet hoeveel veldrijders de afgelopen maanden uitblonken als wegrenner, bestaat de kans dat de cross straks ‘het nieuwe hip’ wordt?

“Ik ben er in eerste instantie zeker van dat jonge crossertjes die al te snel dreigen te kiezen voor de weg nu twee keer zullen nadenken. Want nogal wat renners bewezen dat je beide disciplines uitstekend kan combineren. Wat Van der Poel en Van Aert op de weg laten zien komt ook het veldrijden ten goede. Ik zie het alvast allemaal graag gebeuren. Als het aan mij ligt zal ik beide dingen alvast blijven doen. Al sluit ik niet uit dat ik het aantal crossen dat ik doe in de toekomst wat zal afbouwen. Als het me op de weg goed blijft vergaan, tenminste. Maar dat zijn zorgen voor later. Ik heb twee fietsen waarop ik me amuseer. En zo lang ik daar plezier in blijf hebben zie ik geen reden om daar verandering in te brengen.”

Tekst: Guy Vermeiren
Foto’s: Photo News

Recent

  • #Nieuws

    "Niemand heeft excuses"

    04 augustus 2020
    Bondscoach Filip Meirhaeghe verwacht veel van zijn renners in eerste internationale competitie Eindelijk wordt er weer gekoerst. Ook bij de...
  • #weg

    Waakzaamheid, meer dan ooit

    24 juli 2020
    Voorzichtigheid en discipline zijn de ordewoorden als we willen blijven koersen Het coronavirus blijft onze maatschappij in een houdgreep houden....
  • #weg

    Veiligheid primeert

    06 juli 2020
    Belgian Cycling kijkt uit naar stages en koersen met nationale ploegen  De laatste renners die het shirt van Belgian Cycling...
Menu